oppassen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) opletten dat er niet iets ergs gebeurtOp die richel moet je goed oppassen, zodat dat je niet valt.
- (inerg) bij de kinderen blijven en op ze lettenVanavond moet ik oppassen, maar morgen kan ik wel.
Etymologie
* In de betekenis van ‘opletten’ voor het eerst aangetroffen in 1660
Uitdrukkingen
- Als de vos de passie spreekt, boer pas op je kippen (ganzen). — pas op voor slijmballen, ze willen altijd wat van je; als een bedrieger vrome dingen zegt moet je extra voorzichtig met deze persoon zijn
Vertalingen
Duitsaufpassen, achtgeben, aufpassen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek