oprechtheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate van oprecht zijn, eerlijkheid, van goede wil zijn
    Hij toonde zijn oprechtheid door ze alles te vertellen.
    Kleine Woord aarzelde geen moment. Hij geloofde in de oprechtheid van Wilde Wingerd en de anderen.{{Aut|Herzen, Frank

Etymologie

* afgeleid van oprecht