optiek

vrouwelijk (de)/ɔpˈtik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van optische instrumenten
  2. winkel waar brillen e.d. worden verkocht, opticien
  3. natuurkunde (natuurkunde) optische eigenschappen
  4. gezichtspunt, standpunt

Etymologie

*van "optique", in de betekenis van ‘optica, gezichtspunt’ aangetroffen vanaf 1751

Vertalingen

Engelsapproach
Fransoptique
DuitsAnnaeherungsart
Spaansplanteamiento, óptica