optiek
vrouwelijk (de)/ɔpˈtik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geheel van optische instrumenten
- winkel waar brillen e.d. worden verkocht, opticien
- (natuurkunde) optische eigenschappen
- gezichtspunt, standpunt
Etymologie
*van "optique", in de betekenis van ‘optica, gezichtspunt’ aangetroffen vanaf 1751
Vertalingen
Engelsapproach
Fransoptique
DuitsAnnaeherungsart
Spaansplanteamiento, óptica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek