opvliegen
/ˈɔpfliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnenToen de luid knal weerklink vloog de hele zwerm spreeuwen op van het veld.Ze huilde tranen met tuiten toen het vliegtuig wegtaxiede, opvloog en in de donkere winterhemel verdween.
- (erga) overdrachtelijk: plotseling in actie komenHij vloog op en begon te schelden omdat hij zich door die opmerking beledigd voelde.
Vertalingen
Engelsfly up, take off, start
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek