opvreter
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die op kosten van een ander leeft, profiteur, parasiet, klaploper, uitvreter
- iemand die zijn gevoelens niet uit en zich dus opvreet van bijvoorbeeld woede, binnenvetterDe opvreter zat met samengebalde vuisten en samengeknepen lippen naar het nieuws te kijken.
Etymologie
*afgeleid van opvreten
Vertalingen
Spaansgorrón, parásito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek