ordeteken
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uiterlijk versiersel van een ridder waaraan men kan zien tot welke ridderorde de ridder behoort
- ereteken' De koning maakte het kruis van het Legioen van Eer los, dat hij op zijn blauwe jas droeg naast het kruis van Lodewijk de Heilige, het ordeteken van Onze-LieveVrouw-van-de-berg-Karmel en dat van Sint-Lazarus, en gaf het aan Villefort.' `En jij een nieuw ordelintje, als ik het goed heb? Zie ik daar geen blauw biesje aan je gouden speld?' `Hm, ja, ze hebben me het ordeteken van Karel iii gestuurd,' zei Debray achteloos.Een ordeteken staat goed op een hooggesloten zwarte jas.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek