overijling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (te) grote haast
    Uit de vage antwoorden van de dorpsoudste op de vraag hoeveel hooi het grootste stuk land opgebracht had, uit de overijling, waarmee hij het hooi had verdeeld, uit de gehele houding van de boer maakte Levin op dat er iets niet in de haak was, en hij besloot er zelf naartoe te gaan om de zaak te controleren.

Etymologie

* van overijlen

Vertalingen

Engelsrush, hastiness, haste
Spaansatropello