overladen

/ˌovərˈladə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een overmaat doen belanden op iemand, gewoonlijk in overdrachtelijke zin
    Het publiek overlaadde de zanger met gejuich en applaus.
    Directeur Curtholmen leek ook ontevreden te zijn, omdat de stortvloed van beledigingen waarmee de tegenpartij hem had overladen niet weersproken zou worden.
werkwoord
  1. ov (ov) een lading vanuit het ene voer- of vaartuig in het andere brengen
    In Rotterdam wordt veel vracht van de zeevaart overgeladen op de binnenvaart.

Etymologie

*[A] van Middelnederlands """, op te vatten als <!--