overlap
mannelijk (de)/ˈovərˌlɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mate waarin twee lagen, onderdelen e.d. iets gezamenlijk bedekkenEr is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil.
- overdrachtelijk situatie dat iets door meer dan een persoon of organisatie bestreken wordtEr is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg.
- (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal \int{f(x).g(x)dx}Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal.
Etymologie
*: van "overlappen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek