overnachten

/ˌovərˈnɑxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) ergens de nacht doorbrengen
    Als we niet snel vertrekken zullen we hier moeten blijven overnachten.
    Napoleon gaf de Route Nationale 7 haar naam. Hij maakte zelf ook gebruik van de weg. Zo overnachtte hij in de Auberge de la Teste Noire in Saint-Symphorien-de-Lay, net als Frans I, Rousseau en Rabelais. Het gebouw is niet meer in gebruik als herberg. In 1814 sliep Napoleon op weg naar Elba in het Relais de l'Empereur in Montélimar. Dat hotel is een paar jaar geleden gesloten. Volgens Trip Advisor stond het de laatste jaren bekend om zijn stoffige kamers, deplorabele ontvangst en gesloten restaurant.
    ‘Ik woon in Maastricht en werk in Den Haag. Gisteren hadden we tot laat een vergadering in Utrecht en daarna heb ik in een hotel overnacht. Nu wil ik naar huis. Dat kan gelukkig gewoon, ondanks de genomen maatregelen, de treinen rijden.

Etymologie

*samenstellende afleiding van over (bijwoord) en nacht (zelfstandig naamwoord) dat een (werkwoord) vormt

Vertalingen

Engelsspend the night
Franspasser la nuit à
Duitsübernachten
Spaanspernoctar
Zweedsövernatta