paardendek

onzijdig (het)/ˈpardə(n)ˌdɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stevig kleed om over de rug van een paard te leggen
    Dit hol had een paardendek tot dak, schrijflessenaars tot muren en daarbinnen brandde een klein kacheltje in volle kracht; een zwart potje stond er op en een oude heks boog er zich overheen.