pakken

/ˈpɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in de handen nemen
    Hij pakte zijn gitaar en speelde een deuntje.
    Net toen ik het adresboek wilde pakken dat opengeslagen lag op de bladzijde waar het adres van de familie Scott op stond, kwam Quick de hal in lopen.
    'Buenos dias, señor ' 'Wil je mijn koffer even pakken?' Ze liep de stoep af met het gevoel dat ze werd ingekapseld in het leven van de Schlosses, en dat was zo benauwend dat ze bijna geen lucht kreeg.
  2. ov (ov) gevangen nemen
    De dief werd al snel gepakt.
    Als we hem te pakken krijgen, hangt hij.
  3. ov (ov) door het weloverwogen vullen of laden met spullen gereedmaken om op reis mee te nemen
    Ik heb mijn grote koffer al gepakt, maar mijn tas met handbagage doe ik morgen pas.
    'Time-out, dit is niet eerlijk! Ik had nu ook mijn koffer kunnen pakken en weg kunnen gaan. Maar zo ben ik niet. Ik laat jou niet in de steek. Maar dit is een grote kans voor mij, gun mij dat.'

Etymologie

**[1] in de betekenis van ‘grijpen’ aangetroffen vanaf 1660

Uitdrukkingen

  • een pot pakken
  • de biezen pakken
  • te pakken krijgen
  • te pakken krijgen

Vertalingen

Engelstake, catch
Duitsgreifen, nehmen, packen
Spaansagarrar, coger, tomar