palm
mannelijk (de)/pɑlᵊm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor hoofdzakelijk tropische bomen uit de familie
- (anatomie) binnenzijde van de hand
- lengtemaat, oorspronkelijk de breedte van een hand; vastgesteld op 1 decimeter
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- De palm wegdraaien — De winnaar zijn
- Den palm wegdragen — Stoett-1767 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Men wandelt niet straffeloos onder de palmen — Stoett-1768 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelspalm, palmtree, palm
Franspalmier, paume
DuitsPalme, Handfläche, Handteller
Spaanspalmera, palma de la mano
Italiaanspalma, palma
Portugeespalma, palmeira, palma
Chinees棕榈, 棕榈
Japans椰子, 手のひら
Koreaans야자수, 손바닥
Turkspalmiye, avuç
Poolspalma, dłoń
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek