pappen

/ˈpɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, verouderd (inerg) (verouderd) pap eten, koken
  2. erga (erga) tot pap, een brijachtige massa worden
  3. ov (ov) iets met een pap, stijfsel (e.d.) bestrijken

Etymologie

*Afgleid van "pap" .

Uitdrukkingen

  • Het is pappen en nat houden.De zaak zo goed en zo kwaad als het gaat aan de gang houden.