pappen
/ˈpɑpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (verouderd) pap eten, koken
- (erga) tot pap, een brijachtige massa worden
- (ov) iets met een pap, stijfsel (e.d.) bestrijken
Etymologie
*Afgleid van "pap" .
Uitdrukkingen
- Het is pappen en nat houden. — De zaak zo goed en zo kwaad als het gaat aan de gang houden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek