passagier

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
    De Franse traditie ziet er heel anders uit, zoals de Britse trendwatcher Stephen Bayley opmerkte. Je rijdt op je gemak over een met platanen omzoomde tweebaansweg, in een comfortabele auto, bij voorkeur een Citroën DS. Ondertussen zoekt je passagier in de Michelingids een restaurant waar je goed en uitgebreid kunt lunchen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘reiziger’ voor het eerst aangetroffen in 1547

Vertalingen

Engelspassenger
Spaanspasajero, pasajera