passionist

/ˌpɑʃoˈnɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, religie (persoon) (religie) (rooms-katholiek) lid van de Congregatie van het Lijden van Christus, een in 1720 opgerichte kloosterorde die zich richt op de devotie tot het lijden van Jezus
    In het najaar van 1973 weigerde de bisschop van Roermond, dr. J. M. Gijsen, pater A. van Dam, passionist, te benoemen tot opvolger van pater Th. van Kuppenveld, eveneens passionist.

Etymologie

*van "passionista", op te vatten als afgeleid van Latijn "passionis" "van het lijden", genitief van "passio" "hartstocht; lijden"

Vertalingen

Franspassioniste, passionniste