pedant

mannelijk (de)/pəˈdɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) iemand die tot taak heeft kinderen te onderwijzen en op te voeden
    Het is een eerlijke pedant, wiens beeld we in den anonymen schrijver van de Pelgrimstasch voor oogen krijgen, met een grein van schoolsche of hoogeschoolsche ironie tegenover zichzelf; maar laten ook de anderen, de jongeren, oppassen voor het leerzame bad van ontgoocheling waarin hij hen zal willen dompelen. Hij heeft behoefte te spreken, te onderwijzen: de waarheid die voor hem zelf geen pleizier is geweest.
  2. pejoratief (pejoratief) iemand die zichzelf beter en wijzer vindt dan andere mensen
    De oude, in wezen filologisch georiënteerde geleerde, de polyhistor, die zich, onverschillig of hij nu medicus, jurist, filoloog of theoloog was, in het wetenschappelijk bedrijf vooral op autoriteiten, vaak zelfs nog uit de klassieke oudheid, beriep, had langzamerhand afgedaan. (…) De geleerde van het oude stempel werd steeds meer gezien als een pedant of, erger nog, als een charlatan.

Etymologie

* via "pédant" van "pedante" [http://www.dbnl.org/tekst/_doc003198401_01/_doc003198401_01_0008.php?q=de%20pedanthl1 "Waar de pedant pedant werd, een aanvulling op het WNT" in: Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw. jrg. 16 deel 2 nr. 63/64 (1984) APA - Holland Universiteits Pers, Amsterdam & Maarssen]; p. 109; geraadpleegd 2018-05-27

Vertalingen

Engelspedantic
Spaanspedante