peper

mannelijk (de)/ˈpepər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. specerij (specerij) (witte, grijze, zwarte) gemalen korrels (gedroogde bessen) van met een scherpe, hete smaak
  2. specerij (specerij) rode, Spaanse ~: een vrucht van een plant uit het geslacht met een hete smaak

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘specerij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Uitdrukkingen

  • PeperduurErg duur, lett: zo duur als peper. In de middeleeuwen was peper ontzettend duur.

Vertalingen

Engelspepper
Franspoivre
DuitsPfeffer
Spaanspimiento
Italiaanspepe
Turkskarabiber
Poolspieprz
Zweedspeppar
Deenspeber