periodeduur

vrouwelijk (de)/pɪri'odɘ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, elektronica (natuurkunde), (elektronica) de lengte van één periode/cyclus uitgedrukt in een tijdseenheid
    Een wisselstroom met een frequentie (symbool: f) van 100Hz heeft een periodeduur (symbool: T) van 0,01s.