periodetijd
vrouwelijk (de)/pɪri'odɘ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde), (elektronica) de lengte van een periode uitgedrukt in een tijdseenheidEen wisselstroom met een frequentie (symbool: f) van 50Hz heeft een periodetijd (symbool: T) van 0,02s.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek