pestvogel

mannelijk (de)/ˈpɛstfoɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) bepaald soort vogel, , met lange kuif en opvallende kleuren

Etymologie

* omdat het verschijnen van zwermen van deze vogels in de winter vaak samenviel met het uitbreken van pest

Vertalingen

EngelsBohemian Waxwing
Fransjaseur boréal
DuitsSeidenschwanz
Spaansampelis europeo
Italiaansbeccofrusone
Portugeestagarela-europeu
Chinees太平鸟
Poolsjemiołuszka
Zweedssidensvans
Deenssilkehale