pianiste

vrouwelijk (de)/ˌpijaˈnɪstə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die op een piano speelt
    Afwezig staarde Bonanza naar de blonde pianiste die achter mij en een muur van planten ‘Cry me a river’ zong.
  2. vrouw die goed piano speelt
    Héléna Sonck, zijn echtgenote, die met kunstzin leder bewerkte en een ervaren pianiste was, trad als gastvrouw op.
  3. beroep (beroep) vrouw die in haar geld verdient met pianospelen
    Het scheelde maar weinig of Enid Starkie zou niet een academische carrière als romaniste hebben gevolgd, maar naar het conservatorium zijn gegaan en pianiste zijn geworden.

Etymologie

*van "pianiste", op te vatten als afgeleid van "pianist"