piano
mannelijk/vrouwelijk (de)/piˈjano/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagenEr is veel muziek voor de piano geschreven of bewerkt.
- (muziekinstrument) specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument [1] waarbij het toetsenbord haaks op de kast staatVoor het inspelen was geen vleugel beschikbaar zodat ze zich moest behelpen met piano van de gastouders.
Etymologie
*: van "piano"
Vertalingen
Engelspiano, upright piano
Franspiano, piano droit
DuitsKlavier, Pianino
Spaanspiano
Chinees鋼琴
Japansピアノ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek