pijproker
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die (met regelmaat) tabak rookt met behulp van een pijpMaar pas op, de pijp is terug. Volgens ’s lands laatste pijpenmaker Elbert Gubbels zijn hipsters en stoere mannen met baarden de nieuwe pijprokers. Het verhaal rond het maken van briar-houten pijpen, de duurzaamheid van het product en de hang naar een momentje voor jezelf bij het stoppen en roken van een pijp, voeden de revival.de Telegraaf JEROEN HENDRIKS 10 okt. 2017Dat het existentialisme niet alleen begrijpelijk is voor pijprokers in zwarte coltrui, bewijst Sarah Bakewell.Volkskrant Jannah Loontjens 7 januari 2017De herinnering aan Holdijk is onlosmakelijk verbonden met het pijproken, hij begon er al mee tijdens de middelbare school. Eenmaal in zijn leven kreeg hij een onderscheiding: in 2014 werd hij door de Federatie voor Pijprokers verkozen tot pijproker van het jaar. Hij putte 'troost en vrede'uit het roken, zei hij tegen Omroep Gelderland.Volkskrant Joost de Vries 30 november 2015
Etymologie
* van pijproken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek