pil
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (farmacologie) (eigenlijk:) hoeveelheid werkzame stof met een bindmiddel in een bolletje gedraaidIn de westerse wereld worden heden ten dage geen echte pillen meer verstrekt
- (farmacologie) (bij uitbreiding:) elke vorm van medicament die in vaste vorm oraal wordt ingenomen zij het tablet, dragee, capsule of iets andersEen huisdier een pil geven is vaak geen makkelijk karwei.
- (farmacologie) (seksualiteit) regelmatig ingenomen tablet die zwangerschap verhindert, bepaald oraal voorbehoedmiddelZij was al op haar dertiende aan de pil.
- (figuurlijk), (informeel), (letterkunde) dik boekDeze roman is een pil van ruim 400 bladzijden.
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (militair) (schertsend) gezondheidsofficier of legerarts
- (persoon) (schertsend) iemand die als arts, farmacoloog of student veel met geneesmiddelen werkt
Etymologie
*: "pillen" zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- De pil slikken — Iets vervelends accepteren of een onaangenaam klusje toch doen, omdat dit nodig is
- De pil vergulden — Een van zichzelf onaangename boodschap op een zo vriendelijk mogelijke manier overbrengen
- Een bittere pil — Een zware tegenslag of teleurstelling
- : pil
Vertalingen
Engelspill, pill
Franspilule, pilule
Spaanspíldora, píldora, pastilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek