pokken
/ˈpɔkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) (geschiedenis) uiterst besmettelijke en levensbedreigende virusziekte die huid en slijmvliezen aantastte waartegen een Engelse arts Edward Jenner omstreeks 1796, een vaccin op basis van koepokken ontwikkeldeSinds de tweede helft van de jaren zeventig van de twintigste eeuw is pokken door een uitgebreide wereldwijde vaccinatiecampagne niet meer voorgekomen
- (figuurlijk) (informeel) heel naar of walgelijk
werkwoord
- (inerg) (verouderd) lijden aan de gelijknamige ziekte
werkwoord
- (inerg) raken met een kort, dof geluid
Etymologie
*[B] van de klanknabootsing "pok"
Uitdrukkingen
- Gepokt en gemazeld — Met heel veel ervaring in iets
Vertalingen
Engelssmallpox
Fransvariole, petite vérole
DuitsPocken
Spaansviruela
Italiaansvaiolo
Portugeesvariola
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek