polijster

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die polijst
    De hiv-besmette man vertelde op 23 juli 2013, een week nadat hij als uitzendkracht bij de fabriek begon als slijper/polijster, aan collega’s dat hij seropositief is. Daags erna werd hij ontslagen. De fabriek erkent dat de man is ontslagen om zijn hiv-besmetting. Reformatorisch Dagblad 03-01-2014 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/bedrijf-mag-man-met-hiv-niet-weren-1.361973 Bedrijf mag man met hiv niet weren]
  2. gereedschap waarmee men kan polijsten
    De onderzoekers weten zo goed als zeker dat de Neanderthalers de benen polijsters hebben gemaakt. In dezelfde aardlagen vonden de onderzoekers een tand van een jonge Neanderthaler en vuistbijlen die op een typische Neanderthalerwijze zijn gemaakt. NRC 13 augustus 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/08/13/neanderthaler-was-uitvinder-1282666-a270303 Neanderthaler was uitvinder]

Etymologie

* van polijsten

Vertalingen

Engelsplanisher, polisher