praktijk
mannelijk/vrouwelijk (de)/prɑkˈtɛik/
Wat is de betekenis van praktijk?
praktijk betekent: de ruimte waarin bijvoorbeeld een arts, fysiotherapeut of advocaat zijn/haar beroep uitoefent
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de ruimte waarin bijvoorbeeld een arts, fysiotherapeut of advocaat zijn/haar beroep uitoefent
- hoe dingen werkelijk gaan, soms in tegenstelling tot hoe zaken in theorie zouden moeten functioneren
- (onderwijs) lessen waarin zoveel mogelijk gewerkt wordt op de manier zoals dat in de beroepsuitoefening gaat
- gewoonte(n), manier van doen, handeling(en).
Voorbeelden van "praktijk" in een zin
- Zij maakte er wandelingen met een van mijn collega- psychologen van de praktijk waar ik destijds maat was.
- En die praktijk valt ook niet om als je er een jaartje niet bent.
- Omdat hard pratende mensen in de praktijk soms in de wachtkamer hoorbaar waren, liet de huisarts in de wachtkamer muziek spelen
- In de praktijk blijkt telkens weer dat een dergelijke opbouw van een winkelcentrum tot desolate plekken leidt.
- Het waren mooie, wijze woorden, maar ik vroeg me af hoe je dit advies goed in praktijk kon brengen.
Etymologie
* van Middelnederlands "practike", in de betekenis van ‘toepassing’ voor aangetroffen vanaf 1240
Uitdrukkingen
- De praktijk blijkt/is weerbarstig — Iets dat op het eerste gezicht/op papier e.d. eenvoudig lijkt, blijkt in werkelijkheid toch veel gecompliceerder
Vertalingen
Engelspractice, practice, practice
Fransen pratique, usage
DuitsPraxis, Praktik
Spaansconsultorio, consulta, práctica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek