premier
mannelijk (de)/prəˈmje/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (regering) de minister die het kabinet aanvoertDe premier had moeite met het verdedigen van de begroting.De politie in Londen heeft het onderzoek naar het zogenoemde partygate-schandaal afgesloten. In totaal werden 126 boetes opgelegd aan politici en overheidsmedewerkers. Naar premier Johnson loopt nog wel een parlementair onderzoek over zijn rol in het schandaal.De Britse premier Boris Johnson heeft donderdag aangekondigd op te stappen. Hij blijft voorlopig de taken van premier uitvoeren, totdat er een opvolger bekend is. Johnson lag al geruime tijd onder vuur vanwege een reeks schandalen, zoals het bijwonen van feestjes in coronalockdowns. Het vertrek van een aantal prominente ministers de afgelopen dagen blijkt de druppel te zijn geweest.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eerste minister’ voor het eerst aangetroffen in 1904
Vertalingen
Engelsprime minister
Franspremier ministre
DuitsBundeskanzler, Bundeskanzlerin, Premier
Spaansprimer ministro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek