prins
mannelijk (de)/prɪns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) hoogste adellijke titel van een man of jongen
- (adel) laagste koninklijke titel van een man of jongenOok het eindpunt van de Ilias is verteltechnisch geraffineerd: de dood van de Trojaanse prins Hector, en verzoening van diens moordenaar Achilles met Hectors oude vader Priamus.Het feest leek grootser dan dat van prins Charles en prinses Diana en getuigde van een volksverering van het slechte die zijn weerga niet kent, want deze Arkan stond al vanaf de jaren tachtig bij Interpol bovenaan op de lijst van meestge:ochte Europese boeven en moordenaars.
Etymologie
*Van Latijn princeps, de eerste, de voornaamste
Uitdrukkingen
- Van de prins geen kwaad weten — Onschuldig zijn aan iets vervelends wat is gebeurd, of: iets verkeerds hebben gedaan of uitgelokt, maar niet bewust of opzettelijk; daarnaast ook wel gezegd over iemand die alleen maar veinst van niets te weten
- Voor de prins draaien — Draaien van een molen zonder dat er nuttige arbeid wordt verricht
- eet ontbijt als een koning, lunch als een prins en dineer als een arme
Vertalingen
Engelsprince, prince
Fransprince, prince
DuitsPrinz, Prinz
Spaanspríncipe, príncipe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek