pruttelen
/prʏtələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (kookkunst) (intr) op een laag pitje kokenOntspannen lag hij op zijn matje met een pruttelend potje aardappelpuree op zijn gasbrander.
- (ov) geluidjes maken met name binnensmonds mopperen of mompelen (morren)De startmotor gierde boosaardig en toen sloeg de kleine tweetaktmotor aan en begon druk te pruttelen
Etymologie
* In de betekenis van ‘geluidjes maken’ voor het eerst aangetroffen in 1649
Vertalingen
Engelssimmer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek