puppy

mannelijk (de)/ˈpʏpi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pasgeboren hond, jonge hond
    De dagen daarna klampte Vleugelmoer zich aan mij en Clark vast alsof hij een puppy was.

Etymologie

*van "puppy", in de betekenis van ‘jonge hond’ aangetroffen vanaf 1950

Vertalingen

Engelspuppy
Franschiot
DuitsWelpe
Spaansperrito, cachorro
Italiaanscucciolo, cagnolino
Portugeesfilhote
Russischщенок
Chinees小狗
Japans子犬
Koreaans강아지
Zweedshundvalp, valp