raadsheer

mannelijk (de)/ˈratsher/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die advies geeft
  2. regering (regering) een adviseur of lid van een adviescollege van een vorst
  3. juridisch (juridisch) in Nederland: een rechter van het gerechtshof of de Hoge Raad; in België een rechter van het Hof van beroep of het Hof van Verbreking (cassatie)
  4. schaak (schaak) een schaakstuk dat alleen in diagonalen wordt verzet
    Na de witte raadsheer is nu ook de zwarte geslagen.
  5. dierkunde (dierkunde) een duivenras

Vertalingen

Engelsbishop, jacobin
Fransfou, pigeon à capuchon
DuitsGerichtsrat, Mittglied des Obersten Gerichtshofes, Läufer
Spaansconsejero