reizen
Wat is de betekenis van reizen?
reizen betekent: (erga) gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming
Betekenis
- (erga) gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming
- (inerg) ongerichte activiteit van het onderweg zijn
Voorbeelden van "reizen" in een zin
- Wij reizen geregeld naar Canada.
- {{ouds
- Er wordt in dit land veel met de trein gereisd.
- Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.
Betekenis en uitleg van reizen
Reizen is het verplaatsen van de ene naar de andere locatie, vaak over lange afstanden. Het kan gaan om het ontdekken van nieuwe plaatsen, culturen en ervaringen, of simpelweg om van A naar B te komen.
Het woord 'reizen' wordt vaak gebruikt in de context van vakantie, zakenreizen of avontuurlijke expedities. Het kan zowel betrekking hebben op het bezoeken van verre landen als op kortere trips binnen eigen land. Reizen kan ook verschillende vormen aannemen, van backpacken tot luxe vakanties, en biedt vaak de mogelijkheid om nieuwe perspectieven en inzichten te verwerven.
Voorbeelden
- Tijdens mijn reis naar Japan leerde ik veel over de lokale tradities en gebruiken.
- Ze besloot dit jaar met de trein te reizen in plaats van met het vliegtuig, omdat ze de natuur onderweg wilde zien.
- Reizen met vrienden kan de band tussen jullie versterken en zorgen voor onvergetelijke herinneringen.
Woordoorsprong
Het woord 'reizen' komt van het Oudnederlands 'rīsen', wat 'gaan' of 'verplaatsen' betekent. Het heeft zijn oorsprong in de Germaanse talen.
Veelgestelde vragen over reizen
Wat is de betekenis van reizen?
reizen betekent: (erga) gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming
Hoeveel betekenissen heeft reizen?
reizen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Hoe gebruik je reizen in een zin?
Voorbeeld: “Wij reizen geregeld naar Canada.”
Etymologie
*van Middelnederlands "resen"
Uitdrukkingen
- Op de boer gaan (lopen, reizen)