reiziger
mannelijk (de)/ˈrɛɪzəɣər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die bezig is een reis te makenDe reizigers waren gestrand doordat het noodweer het luchtverkeer tot een chaos gemaakt had.Een reeds lang geleden gesloten hotel met een verschoten lichtbak die de reiziger een zwembad en kamer met tv belooft.
- iemand die gewoon is reizen te makenVorige week was er op Catawiki een online-veiling met handschriften en eerste drukken van de verzamelaar, reiziger, schrijver en programmamaker Büch. Onder de parafernalia ook twee ingelijste fineliner-tekeningetjes van Drost: inderdaad fijn en vrolijk. de Volkskrant Arjan Peters5 december 2015 [https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/in-depressieve-plinius-pinguin-een-zelfportret-zien~bc83f98c/ In depressieve Plinius Pinguïn een zelfportret zien]
- iemand uit een familie die rondreist en zijn geld verdient op evenementen ter vermaak van mensen, bv een lid van een circus of een kermisexploitant; ook wel woonwagenbewoner.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die reist’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Vertalingen
Engelstraveller, traveler, traveller
Fransvoyageur, voyageuse
DuitsReisende
Spaansviajero, viajera, viajante
Italiaansviaggiatore, viaggiatrice, passeggero
Russischпутешественник, путешественница, путник
Zweedsresande, resande
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek