toerist
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een (mannelijk) persoon die voor zijn plezier reist (een toer maakt)In dat land werd hij als een toerist ontvangen.'De Route Nationale 7 is nog altijd belangrijk voor ons, omdat ze veel toeristen aanvoert', zegt Sandro Belle (30), chef de cuisine van het Vineum in Tain l'Hermitage, een lunchrestaurant en wijnproeverij, twee jaar geleden geopend door de grote wijnproducent Paul Jaboulet Ainé.Het was welbeschouwd belachelijk dat die dingen in de eenentwintigste eeuw nog steeds bestonden, als prehistorische watervogels die op een wonderlijke manier weer tot leven waren gewekt voor de toeristen.
Etymologie
*afgeleid van toer, (stam van het werkwoord toeren)
Vertalingen
Engelstourist
Franstouriste
DuitsTourist
Spaansturista
Deensturist
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek