rist

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een groep zaken die op regelmatige wijze zijn geordend
    De regering nam een rist beslissingen.

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘bundel (van vlas e.d.)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1380