rok

mannelijk (de)/rɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een voornamelijk door vrouwen (in o.a. Schotland ook door mannen) gedragen buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de "taille" wordt gedragen en een deel van de benen bedekt
    Haar bovenlichaam was volmaakt, haar rok als een stilleven van stof over de vorm haar dijen.
    Een jonge jongen in een Schotse rok kwam keihard in een stofwolk de berg af rennen en sprong onmiddellijk op Pogues rug.
  2. kleding (kleding) type avondkleding, rokkostuum
  3. membraan [1], omhullend vlies, "tunica" [3]

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "roc" van Oudnederlands "rok", in de betekenis van ‘kledingstuk’ aangetroffen vanaf 1100

Uitdrukkingen

  • Het hemd is nader dan de rokEigen familie gaat voor
  • Iemand achter de rokken lopen/zitenIemand (m.n. een vrouw) het hof willen maken, een vrouw proberen te versieren
  • Zij heeft geen rok aan haar gatDie vrouw heeft niets, zij is erg arm
  • : rok

Vertalingen

Engelsskirt, dress-coat, tails
Fransjupe, habit
DuitsRock, Frack
Spaansfalda, frac
Italiaansgonna, marsina
Portugeessaia
Russischюбка, фрак
Poolsspódnica
Zweedskjol, frack