rozenkransje
/ˈrozə(n)ˌkrɑnʃə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort vaste plant, uit de composietenfamilie
Etymologie
*[2] omdat er kransjes van werden gevlochten, die het huis waarin ze hingen zouden beschermen tegen de bliksem
Vertalingen
Spaansantenaria, pie de gato
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek