ruwaard

mannelijk (de)/ˈrywart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) landvoogd, persoon die bij ontstentenis van de landsheer een land of gewest bestuurde
  2. waterbeheer (waterbeheer) zwaar beslagwerk van rijshout om een uitstekende hoek van een dijk tegen stroom en ijs te beschermen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘landvoogd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265