ruwaard
mannelijk (de)/ˈrywart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) landvoogd, persoon die bij ontstentenis van de landsheer een land of gewest bestuurde
- (waterbeheer) zwaar beslagwerk van rijshout om een uitstekende hoek van een dijk tegen stroom en ijs te beschermen
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘landvoogd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek