saluut

onzijdig (het)/sɑˈlyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair (militair) officiële groet
    De militairen brachten een saluut.
tussenwerpsel
  1. informeel, verouderd (informeel) (verouderd) het beste! (groet bij een afscheid)
  2. verouderd (verouderd) heil!, gegroet! (heilwens bij welkom of begin van een mededeling)

Etymologie

**: in de betekenis van ‘tussenwerpsel: groet’ aangetroffen vanaf 1866

Uitdrukkingen

  • saluut en de kost