schandaliseren

/ˌsxɑndaliˈzerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door onbehoorlijkheid ergernis bezorgen
    Van hem erfde Byron ook de vervallen Newstead Abbey, waar hij als student met zijn vrienden de omwonenden placht te schandaliseren door er 's nachts wijn te drinken uit de opgegraven schedels van monniken.
    Tracht ik een astronoom te schandaliseren met de mededeling, dat de achterkant van de maan rood is met witte spikkels, dan is er slechts een ruimtevaart nodig om mijn paddestoelconceptie naar het rijk der fabelen te verwijzen.
  2. ov (ov) reputatieschade bezorgen
    Denken wij maar aan Henri Guillemin, nu diep in de tachtig, maar nog altijd strijdbaar de ene debunkende biografie na de andere producerend. () Het sterkst is hij als hij kan tuchtigen, ontzenuwen, onthullen, schandaliseren.
    Dryden met wie ze eens nauw bevriend was en samenwerkte, vond het nodig tijdens haar laatste jaren te zeggen: ‘Mrs. Behn veroorloofde zich indiscreet te schrijven en de zedigheid van haar sexe enigszins te schandaliseren.’
  3. ov, informeel (ov) (informeel) beschadigen zodat het er lelijk uitziet
    Mensen, die Den Haag en zijn gemeentebestuur niet kennen moeten wel de indruk krijgen alsof op de Haagse gemeentebureau’s {{sic!

Etymologie

*via Middelnederlands "scandaliseren", "scandaliser" en Latijn "scandalizare" van "σκανδαλίζειν" (skandalízein), op te vatten als afgeleid van schandaal