Schemering
vrouwelijk (de)/ˈsxeməˌrɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toestand tussen dag en nacht, waarin het niet echt licht of donker isIn de schemering was de rand van het bos niet meer goed te zien.Het festivalseizoen brengt een geheel andere sfeer met zich mee dan touren: overdag het zonnetje, ’s avonds de schemering.
- tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordtTijdens de schemering heb je de beste kans reeën te zien.Overal kwamen dieren uit het bos tevoorschijn terwijl ik in de schemering afdaalde naar de groene vallei waar een rivier doorheen liep.
Etymologie
* van schemeren
Vertalingen
Engelstwilight
Franscrépuscule
DuitsDämmerung
Spaanscrepúsculo
Zweedsskymning
Deensskumring
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek