Scheren
/ˈsxerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) met een schaar of mes de huid van haar ontdoenHij schoor de schapen en verzamelde de wol.Dit alles schonk hem een moeilijk uit te leggen innerlijke vrede, ook wanneer hij zich 's ochtends voor de gebarsten spiegel schoor in het schijnsel van de petroleumlamp of in zijn wolfshuid de veranda op stapte en diep door zijn neus inademde.Hij was gekleed in een uniform met de aanduidingen van de SOE en de rang van sergeant, gedoucht en geschoren toen hij op de afrondende afspraak verscheen met kolonel Grumpy, zoals iedereen de chef noemde, en zijn twee assistenten.
- (refl) zich ~: zich de baard kort afsnijdenNiemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.
- (erga) rakelings over een oppervlak bewegenDe zwaluwen scheerden over het water van het meertje.Een asteroïde met de omvang van een bus is rakelings langs de aarde gescheerd.
- (refl), (verouderd) zich ~ zich ergens vandaan verwijderen, zich uit de voeten makenScheer je weg!
- (ov) ordenen, rangschikken
- (ov) volgens een rechte lijn bijhakken/-snijden
- (ov) spannen
- (ov), (verouderd) toebedelen
werkwoord
- (ov) bespotten, de spot drijven met, grappen maken met
Etymologie
* Van Middelnederlands sceren, "schertsen". Verwant met Scherz, scorn, scherts, Latijn scurra.
Uitdrukkingen
- Alles over één kam scheren — Alles en iedereen gelijk stellen
- De schapen scheren — Gemakkelijk grote winsten maken
- Wie geschoren wordt, moet stilzitten — Als er op iemand kritiek komt, kan diegene beter even wachten alvorens met een weerwoord te komen
- Zijn schaapjes scheren — Er de winst uit halen
- Ergens mee geschoren zitten — Ergens mee opgescheept zijn
Vertalingen
Engelsshave, shave
Fransraser, se raser
Duitsrasieren, scheren, rasieren
Spaansafeitar, rasurar, afeitarse
Poolsgolić, golić się
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek