Schering
vrouwelijk (de)/ˈsxerɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (textiel) op een weefgetouw de in verticale richting parallel opgespannen draden
- de gebeurtenis van het scheren.
Etymologie
*[1] van Middelnederlands "scheringe" / "scheringhe", in de betekenis van ‘ketting van een weefsel’ aangetroffen vanaf 1240
Vertalingen
Engelswarp
Franschaîne
DuitsKette, Webkette
Spaansurdimbre
Italiaansordito
Poolsosnowa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek