schik

mannelijk (de)/sxɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ~ hebben in iets: door iets geamuseerd worden
    Hij had schik in die ondeugd van een kleinzoon.

Etymologie

* In de betekenis van ‘pret’ voor het eerst aangetroffen in 1802

Uitdrukkingen

  • In zijn schik zijnblij en opgewekt zijn

Vertalingen

Engelsfun, amusement
Spaansdiversión, divertimento