schoondochter
vrouwelijk (de)/ˈsxondɔxtər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) de vrouw van een zoon of dochter
Etymologie
*afgeleid van dochter
Vertalingen
Engelsdaughter-in-law
Fransbelle-fille, bru
DuitsSchwiegertochter
Spaansnuera
Italiaansnuora
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek