schoonmaakwoede

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met te grote neiging om iets schoon te maken
    De spreekwoordelijke Hollandse schoonmaakwoede komt niet voort uit de calvinistische volksaard, maar vindt zijn oorsprong in de grootschalige zuivelproductie op het Hollandse platteland vanaf de veertiende eeuw. de Standaard 17 DECEMBER 2009
    Ze is gescheiden, heeft een nieuwe relatie en ruimt haar leven op met dezelfde schoonmaakwoede als waarmee ze haar nieuwe huis te lijf gaat. Dat leidt tot een zeer persoonlijke voorstelling, waarin Lenette van Dongen haar publiek een 50-plusser toont die er mag zijn en bij wie, zo concludeert ze als ze terugblikt, helemaal niets is komen aanwaaien. Tubantia Arno Gelder 11-januari-2017

Vertalingen

Engelscleaning-mania
DuitsPutzfimmel