schreeuwen

/ˈsxrewə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
    "Pas op!", schreeuwde hij.
    De luitenant schreeuwde een bevel
    Franse kinderen schreeuwen nietTerwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?

Etymologie

* In de betekenis van ‘luid roepen’ voor het eerst aangetroffen in 1479 . Vanwege deze late attestering is "schreeuwen" mogelijk geen erfwoord, maar analogisch gevormd, aan bijv. Nederlands "spuwen" naast (Middelnederlands) spiën.

Vertalingen

Engelsshout, cry, yell
Franscrier, hurler
Duitsschreien
Spaansgritar, vocear
Deensskrige