sjoemelen

/ˈʃumələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr, informeel (intr) (informeel) knoeien, frauderen
    En dan kun je — denken sommigen—zoo ook nog wel'n tikkie sjoemelen met het Noodlot; als je bijvoorbeeld een slank p'rsoon in het water der toekomst wenscht te zien zwemmen, giet je die eenvoudig langzaam, met een straaltje uit....

Etymologie

* Via het Jiddisj.

Vertalingen

Engelsfiddle, scheme
Fransmagouiller
Duitsschum­me­ln
Spaanshacer trampa, engañar
Italiaansbarare
Zweedsfuska